Niels Bijl
English

Pers «

« Terug

Aurelia Saxofoonkwartet beneemt je de adem

Leids Dagblad, 05 Juni 2007

Het zijn Arrangementen, of opdrachtcomposities speciaal geschreven voor het Aurelia Saxofoonkwartet. Vraag die bij je opkomt is ‘waarom wordt er niet veel meer geschreven voor saxen’.

Vóór 1860 kon dat niet, doodeenvoudig om dat het instrument toen nog niet bestond. Maar anno 2007 zou het een uitdaging moeten zijn, want o wat zijn klank, kleur en interactie bij Aurelia in goede handen! Ook of zelfs juist in oeroude stukken als de Chromatische Fantasie van Sweelinck, in een arrangement van Willem van Merwijk. In een schitterend fugatisch opgebouwd verhaal van dalende halve tonen strelen en versterken kleuren en lijnen elkaar, warm en fluwelig. De muziek lijkt gemaakt voor het hooggewelfde koor van de Pieterskerk, stijgt op en omarmt je, terwijl de struktuur van het stemmenweefsel helder en kleurrijk blijft tot in de kleinste details.

‘mijn strijkkwartet moet klinken als een saxofoon’ zou Ravel hebben gezegd. Voor Aurelia één van de redenen om de stoutste schoenen aan te trekken; Ravel’s strijkwartet (1903) te bewerken; en meer dan succesvol. Met in je hoofd strijkersgeruis valt niettemin de mysterieuze, bloedmooie klankkleuring op. Ravel’s drama voltrekt zich heftiger, sensueler dan in het strijkerorigineel; de dynamiek lijkt hartstochtelijker opgebouwd; het tempo bedachtzamer gedoseerd; de rubati betekenisvoller. Het tweede deel zwiept, swingt; en snerpt bij de sopraansax bijna als een viool. Hoe in het derde deel de alt en vervolgens de andere saxen geconcentreerd eenzelfde lijn uitzetten, in de meest subtiele klank- en kleurverschillen, uit elkaar waaieren, weer bij elkaar komen in één betoverende vage dissonant, beneemt je de adem. Zelden hoor je blazers zo zinderend samensmelten. Vuurwerk in het laatste deel; of de wereld vergaat, zo opzwepend spuit de melodie omhoog. De vier stemmen lijken verderop eigenzinnig een heel eigen weg te gaan wat roerig, spannend samenspel oplevert.

Simon Burgers’ speciaal voor het Aurelia geschreven ‘Widor’s House’ (2000) begint als een lange gorgelende ‘onderwaterwindkanon’. Percussie en elektronica dragen de compositie die hectisch verloopt in snel fladderende loopjes waaruit zich keer op keer een brede melodie losmaakt die doet denken aan Smetena’s ‘Moldau’; aan het eind nog even benadrukt wordt door de bariton.

Samuel Barber’s wereldberoemde Adagio ontroert door zijn sober ingetogen toon, zijn trieste lange melodielijnen die op sterven na dood weer uitbotten in oudroze tinten en voluit bloeien in schetterend rood. Ook hier weer vergeet je de strijkers voor wie dit stuk origineel geschreven is.

Joey Roukens (1982), jonge hond die hij is, citeert uiterst onbevangen, op eigen wijze Bach en Palestrina in Quodlibet (2004). Je hoort de toetsen van het orgel dansen in springerige motieven, het pedaal dreunen in uitdijende samenklanken die bol van spanning staan, in canonische lijnen die elkaar pesterig achtervolgen als kippen in een ren.

Schokkerige ritmiek brengt je weer terug bij de blazers. Kerkorgel en saxen, ze passen bij elkaar.

Lidy van der Spek, Leids Dagblad